KENNIS DATABANK

Gebruik de toetsenbord combinatie (CTRL F) om toe zoeken op deze pagina.

V: Wanneer ik de flitser gebruik, verschijnt er een zwarte balk in mijn foto.

  1. 1. Dit gebeurt meestal omdat de sluitertijd van je camera sneller is dan de synchronisatietijd van de flitser. Wanneer de sluiter te snel beweegt, is de flitser niet volledig gesynchroniseerd met de opening van de sluiter, waardoor een deel van de foto in de schaduw blijft. Om dit te voorkomen, moet je ervoor zorgen dat je sluitertijd gelijk is aan of langzamer is dan de maximale synchronisatiesnelheid van je flitser. Deze ligt voor de meeste toestellen tussen 1/160 - 1/250 (Sony A1 = 1/400). Camera’s met een “global shutter” zijn niet betroffen omdat de beeldsensor in één keer uitgelezen wordt. Wil je toch een kleinere sluitersnelheid gebruiken (b.v. 1/1000) dan kies je voor HSS (high speed sync).

V: De subflash van de Godox V1 Pro flitst niet

  1. De reden is dat ofwel de hoofdflash niet onder een hoek staat gericht of je de flash off-camera gebruikt met een Godox zender.

V: Mijn reportage flitser op de camera gaat niet af.

  1. Steekt deze voldoende in de hotshoe van de camera? Kijk ook na of er geen vuil op de contacten van de flitser is. Gebruik een blazer om stof en vuil te verwijderen.

  2. De camera staat niet juist ingesteld (bijvoorbeeld in ontvangstmode voor off-camera flash)

  3. De flitsbuis is stuk

V: Ik gebruik mijn Godox flitser “off-camera” met een zender maar deze wil niet flitsen.

  1. Gaat je flits af als je op de test knop drukt van de zender dan zit de zender waarschijnlijk niet diep genoeg in de hotshoe of zijn de contacten vuil. Sommige camera’s flitsen niet wanneer de elektronische sluiter gebruikt wordt.

  2. Het kanaal (CH) en ID op de flitser en de zender komen niet overeen. Pas dit op beide toestellen aan. Heb je de nieuwste generatie flitsers (AD200 ProII, AD600 Pro II,…) in combinatie met de X3 dan kan je de flitsers makkelijk '“pairen”.

  3. De flitsbuis is stuk.

  4. De flitsbuis (bijvoorbeeld AD600 Pro) steekt niet ver genoeg.

  5. Er is interferentie met andere draadloze signalen. Gebruik de wireless scan functie (niet op alle Godox zenders en flitsers beschikbaar) om het sterkste signaal te gebruiken.

  6. Gebruik Alkaline batterijen in de zender.

V: Ik kan maar flitsen tot 1/250 of 1/160 van een seconde.

  1. Om kleinere sluitersnelheden te gebruiken dan je flitssynchronisatiesnelheid moet je HSS activeren. Soms moet dit op de trigger/flash zelf of in het menu van de camera. Hou er rekening mee dat bij HSS er veel flitskracht verloren gaat.

V: Kan ik flitsen door gebruik te maken van het elektronische gordijn i.p.v. het mechanische gordijn?

  1. Dat hangt van de camera af. Een Sony A1, Nikon Z9 hebben een stacked beeldsensor die snel uitgelezen wordt en daar kan het wel. Bij sommige camera’s zoals de Sony A6700 gaat de flitser niet tijdens fotograferen met een elektronisch gordijn maar wel met het mechanisch gordijn. Raadpleeg alvast je handleiding.

Als je fotografeert met “electronic first shutter” kan er banding ontstaan in HSS. Zet deze zeker af.

V: Mijn off-camera flitser gaat soms wel en soms niet.

  1. Dit gebeurt soms als je een flitser in de hand houd en deze binnen een afstand van 1 meter van de trigger is. Pas in het menu van de trigger de afstand aan. Je kan kiezen van 1 tot 100 m of van 0 tot 30 m.

V: De AF beam van mijn Godox trigger werkt niet. (rode hulp licht op de trigger)

  1. Bij systeemcamera’s werkt de AF beam niet in AF-C mode (continuous focus). Zet indien mogelijk je camera op AF-S (single focus). Als dit niet kan maak dan gebruik van een hulplicht op de flash of maak gebruik van een extern hulplicht.

V: Mijn flitser wil niet zoomen (V1 Pro, AD100 pro)

  1. Deze staat waarschijnlijk ingesteld op een vaste zoom (b.v. 28 mm). Zet deze op stand A (automatisch)

V: Ik zie in mijn nabewerking van de foto’s kleine kleurverschillen.

  1. Maak alvast gebruik van een vaste witbalans. Voor flits ligt dit rond de 5600 - 5800 Kelvin.

  2. De kleur van daglicht wijzigt voortdurend. Als je flitslicht met natuurlijk licht combineert moet je afhankelijk van het moment van de dag CTO of CTB gels gebruiken.

  3. Zet in het menu van de Godox flitser “Color mode” op “ON”. Met deze instelling wordt de Kelvin tolerantie van de flash kleiner en dus constanter van kleur. (Niet bij alle Godox flitsers mogelijk zoals de AD200, maar wel op de AD200 Pro versie). Hou er rekening mee dat de flitsduur met color mode (of temperature) op “on” langer wordt.

V: Ik heb een 100W LED gekocht maar die geeft veel minder licht als een 100W flitser.

  1. Voor LED-verlichting spreken we over watt (het energieverbruik), terwijl we bij flitsers spreken over wattseconde (Ws), wat de energiecapaciteit van de flitser aangeeft. Bij LED-verlichting wordt het lichtvermogen vaak uitgedrukt in lux, wat de lichtintensiteit per vierkante meter weergeeft (één lux is de hoeveelheid licht die overeenkomt met één lumen per vierkante meter). Het wattage van een LED-lamp is niet direct te vergelijken met het aantal wattseconden van een flitser. Een LED-lamp van 100 watt produceert aanzienlijk minder licht dan een flitser van 100 Ws, omdat een flitser in een zeer korte tijd (de flitsduur) een hoge hoeveelheid licht kan leveren.

  2. Het type lichtvormer bepaalt ook de hoeveelheid licht! Zo geeft een kleine reflector veel meer licht als een grote softbox zoals een flitsparaplu.

V: Wat betekent S1 en S2 op een Godox flitser?

  1. Een flitser kan worden ingesteld om getriggerd te worden via een zender of door een optisch oog (de flitser gaat dan mee af wanneer een andere flitser afgaat). Wanneer je twee flitsers tegelijkertijd gebruikt en één ervan geen interne ontvanger heeft maar via een optisch oog werkt, ontstaat er bij gebruik van TTL altijd een pre-flash voor de lichtmeting. Hierdoor zal de flitser met het optische oog te vroeg afgaan, omdat deze op de hoofdflits zou moeten reageren. Als je TTL gebruikt, stel je de flitser met het optische oog in op de S2-modus om alleen op de tweede flits te reageren. Flits je handmatig, dan kies je voor de S1-modus.

V: Wat betekent MK (12) op de Godox AD200 flitser (e.a.)?

  1. Deze techniek wordt vaak gebruikt in product fotografie. Eén flitser wordt bijvoorbeeld op het onderwerp gericht, terwijl de andere op de achtergrond schijnt (zoals op wit papier), waardoor het onderwerp als silhouet wordt vastgelegd. Flitser A stel je in op kanaal 1 (MK1) en flitser B op kanaal 2 (MK2). Bij de eerste foto gaat alleen flitser A af, en bij de tweede foto flitst alleen flitser B. Vervolgens importeer je beide foto's in Photoshop als twee lagen. Met foto B kun je het onderwerp veel gemakkelijker uitsnijden en de achtergrond witter maken, terwijl foto A zorgt voor een mooie belichting van het onderwerp.

V: Wat betekent flitsduur?

  1. Flitsduur wordt uitgedrukt in t0.1 of t0.5.

    t0.1 meet de tijd dat de flits 10% van zijn maximale kracht bereikt, door zijn piek gaat, en weer terugvalt naar 10%. Dit geeft een nauwkeuriger beeld van de effectieve flitsduur en is vooral relevant voor situaties waar het bevriezen van snelle bewegingen belangrijk is. Een kortere t0.1 betekent dat de flitser een korte, krachtige piek afgeeft, wat beter is om beweging te bevriezen.

    t0.5 meet de tijd waarin de flits boven 50% van zijn maximale kracht blijft. Deze meting geeft een ruimer beeld van de totale flitsduur, maar omdat een groot deel van de flits buiten dit bereik valt, is t0.5 minder precies voor het vastleggen van beweging.

    Samenvattend: t0.1 geeft de kortere en nauwkeurigere flitsduur weer, belangrijk voor het bevriezen van snelle actie. t0.5 is een bredere, minder precieze meting en wordt soms gebruikt door fabrikanten om langere (optimistische) flitsduurcijfers te presenteren, die minder nuttig zijn voor snelle opnames.

Kies daarom steeds voor t0.1. Een korte t0.1 flitsduur functioneert net zoals een snelle sluitersnelheid, maar flitsers kunnen beweging effectief bevriezen binnen de tijdsperiode van de flits zelf, onafhankelijk van de sluitersnelheid van de camera. Als je bijvoorbeeld een t0.1 flitsduur hebt van 1/10.000 seconde, kan dat een snelle beweging bevriezen, zelfs als je sluitertijd langer is (zoals 1/125 seconde).

V: Hoe lang gaat een flitser mee?

  1. Dat hangt af van de flitser. Zelf gebruik ik een Godox AD1200 Pro, die inmiddels 100.000 keer geflitst heeft (dit is zichtbaar in het menu). Bij stroboscopisch flitsen (multi-modus bij Godox) telt elke individuele flits ook als een aparte flits. Als je dus vaak in stroboscopische modus werkt, loopt de teller snel op.

V: Hoeveel Watt seconden heeft een flash nodig?

  1. Een eenduidig antwoord is niet mogelijk, omdat het afhangt van de situatie en de gewenste lichtkwaliteit. Een standaard reportageflitser (ongeveer 76 Ws) met een rechthoekige fresnel-flitskop levert veel licht. Echter, wanneer je deze flitser gebruikt in combinatie met een grote lichtvormer en dubbele diffusie, zal de lichtopbrengst aanzienlijk verminderen. Flitsers met een lager vermogen moeten vaak op volle kracht (1/1) flitsen en kunnen sneller oververhit raken bij frequent gebruik binnen een korte tijdspanne.

V: Ik gebruik TTL en mijn flitslicht is niet consistent.

Dit is een veelvoorkomende misvatting bij fotografen dat TTL-flitsmeting niet nauwkeurig is.

TTL (Through-The-Lens) flitsmeting is een technologie die de hoeveelheid licht meet die door de lens van de camera komt (gereflecteerd licht) en gebruikt deze informatie om de intensiteit van de flitser automatisch aan te passen. Hier is een stapsgewijze uitleg over hoe TTL werkt:

  1. Voorflits: Wanneer je een foto maakt met TTL-flits, stuurt de flitser eerst een korte voorflits uit voordat de eigenlijke foto wordt genomen. Deze voorflits is bijna onmerkbaar voor het menselijk oog.

  2. Meten: De lichtmeter in de camera meet de hoeveelheid licht die door de lens komt tijdens de voorflits. Dit wordt gedaan via de meetcellen die zich in de camera bevinden en is afhankelijk van het type lichtmeting dat ingesteld staat. (Matrixmeting, spotmeting, centrumgericht meting, ,…à

  3. Berekening: Op basis van de gemeten lichtwaarden berekent de camera de juiste hoeveelheid flitslicht die nodig is voor een correcte belichting van het onderwerp. Dit houdt rekening met factoren zoals de afstand tot het onderwerp, de omgevingslichtomstandigheden en de ingestelde diafragmawaarde.

  4. Hoofdflits: De camera past de intensiteit van de flitser aan en stuurt de hoofdflits uit op het moment dat de foto wordt genomen. Deze flits belicht het onderwerp zoals berekend tijdens de voorflitsmeting.

Wit:

  • Eigenschappen: Wit reflecteert bijna al het licht dat erop valt.

  • Invloed op TTL: Wanneer je een wit onderwerp fotografeert met TTL-flits, zal de grote hoeveelheid gereflecteerd licht de camera doen denken dat er voldoende licht is. De TTL-meting zal de flitsuitvoer verminderen om overbelichting te voorkomen.

  • Resultaat: Het resulterende beeld kan onderbelicht zijn omdat de camera het wit probeert om te zetten naar middengrijs.

  • Oplossing: Gebruik belichtingscompensatie om de flitser krachtiger te laten flitsen (+1 tot +2 stops) om het witte onderwerp correct te belichten.

grijs:

  • Eigenschappen: Middengrijs (18% grijs) reflecteert ongeveer 18% van het licht.

  • Invloed op TTL: TTL-flitsmeting is gekalibreerd op een reflectie van 18% grijs, wat de gemiddelde reflectiviteit van natuurlijke scènes vertegenwoordigt. Daarom zal de camera bij een middengrijs onderwerp de juiste hoeveelheid flitslicht produceren.

  • Resultaat: Het resulterende beeld zal correct belicht zijn.

  • Oplossing: Geen extra belichtingscompensatie nodig.

Zwart:

  • Eigenschappen: Zwart absorbeert het meeste licht en reflecteert weinig.

  • Invloed op TTL: Wanneer je een zwart onderwerp fotografeert met TTL-flits, zal de kleine hoeveelheid gereflecteerd licht de camera doen denken dat er onvoldoende licht is. De TTL-meting zal de flitsuitvoer verhogen om de belichting te compenseren.

  • Resultaat: Het resulterende beeld kan overbelicht zijn omdat de camera het zwart probeert om te zetten naar middengrijs.

  • Oplossing: Gebruik belichtingscompensatie om de flitser minder krachtig te laten flitsen (-1 tot -2 stops) om het zwarte onderwerp correct te belichten.

V: Ik flits op 1/4000 en het flitslicht is te zwak ondanks dat de flitser op volle flitskracht staat.

Je flitser flitst op HSS (high speed sync). De flitser geeft zijn flitskracht niet in 1 keer maar pulseert synchroon samen met de spleet van je sluiter. Het is dus normaal dat je flitser zo minder licht geeft. Camera’s met een global shutter (Sony A9III) hebben hier geen last van want deze kennen geen HSS.

  1. Gebruik indien mogelijk een ND filter zodat je kan flitsen binnen je flitssynchronisatiesnelheid. (b.v.1/250)

    Voorbeeld:

    Flits: 1/4000 —> 1/2000 —> 1/1000 —> 1/500 —> 1/250 (4 stops filter)

    ND filter: gebruik een ND16 filter (ND2 —> ND4 —> ND8 —> ND16)

  2. Zet indien mogelijk de flitser dichter bij het model

  3. Gebruik een krachtigere flitser

V: Ik gebruik een Godox AD200 Pro, en wanneer de flitser vaak op een korte tijd op vol vermogen wordt gebruikt, raakt hij snel oververhit.

  1. Dat is normaal. Wanneer je flitst in HSS (high speed sync) zal de flitser sneller oververhitten dan wanneer deze kan flitsen binnen je flitssynchronisatiesnelheid. De oplossing is om een flitser te gebruiken met meer vermogen (b.v. de AD600 Pro serie) en/of te werken met ND filters op je lens zodat je binnen je flitssynchronisatiesnelheid kan fotograferen (enkel wanneer je lage diafragmawaarden gebruikt zoals f/1.4).

  2. Gebruik indien mogelijk de kop met losse flitslamp i.p.v. de Fresnel omdat die minder snel oververhit.

V: De subflash van mijn V1Pro werkt niet

  1. Deze werkt enkel als de hoofdflash onder een hoek gericht is.

  2. Je gebruikt de V1Pro als off-camera flash. Dan werkt de subflash niet.

  3. De subflash staat af. Activeer deze in het menu. (TTL wordt voor de subflash niet ondersteund)

V: Ik heb een foto gemaakt door gebruik te maken van een flitser en het licht is niet mooi. Het is veel te hard.

Dit kan verschillende redenen hebben.

  1. Je flitser staat te ver. Gebruik de flitser off-camera met een zo groot mogelijke lichtvormer (met dubbel diffuus) en plaats deze dicht bij het model.

  2. Heb je de foto binnen gemaakt en is er een wit plafond? Richt de flitskop dan naar het plafond zodat het licht reflecteert op het grote witte oppervlak.

  3. Je instellingen (belichtingsdriehoek) zijn verkeerd. Combineer je flits met daglicht dan werk je best met een vaste ISO waarde, diafragma en stel je de sluitersnelheid in met de juiste dosis flitslicht.

  4. Het model heeft een “vettige” huid. De huid poederen is niet altijd de beste keuze. Het helpt om met tissues te doppen op de huid.

V: Mijn achtergrond is te scherp. Ik wil een wazige achtergrond.

  1. Gebruik een lens met een groot maximaal diafragma (bijv. f/1.8 of f/2.8).

  2. Fotografeer met een langere brandpuntsafstand. (bijvoorbeeld 135 mm)

  3. Zorg ervoor dat je onderwerp ver van de achtergrond staat. Hoe verder de achtergrond hoe waziger.

Heb je geen lichtsterke telelens dan kan je ook in de nabewerking de achtergrond wazig maken

V: Mijn foto is onscherp.

Dit kan verschillende oorzaken hebben.

  1. Verkeerde Scherpstelling.

    Gebruik de autofocus (AF) op de juiste manier of stel handmatig scherp. Controleer of je scherpstelpunten goed zijn geplaatst op het onderwerp. Bij portretten bijvoorbeeld, richt je op de ogen. Activeer oogdetectie op je camera.

  2. Lenskwaliteitsproblemen

    • Kitlenzen (die bij de aankoop van een camera bijgeleverd worden) zijn meestal minder van kwaliteit.

    • Vuil of stof op de beeldsensor of lens

    • Krassen op de lens

  3. Diafragmawaarde

    De meeste lenzen presteren het best bij drie stops vanaf het maximale diafragma. Probeer diafragmawaarden tussen f/8 en f/11 voor optimale scherpte.

  4. Bewegingsonscherpte:

    Gebruik een snellere sluitertijd om bewegingsonscherpte te voorkomen. Een algemene regel is om een sluitertijd te gebruiken die minimaal gelijk is aan de brandpuntsafstand van de lens (bijvoorbeeld 1/50 voor een 50mm lens indien het onderwerp niet beweegt). Gebruik eventueel een statief.

  5. Camerabeweging:

    Houd de camera stevig vast en gebruik indien mogelijk een statief of een beeldstabilisatie (IS/VR/OSS) functie op de lens of camera.

V: Wat is tetheren?

  1. Tetheren in fotografie betekent dat je je camera direct aansluit op een computer, laptop, tablet of smartphone via een kabel (meestal USB) of draadloos. Soms kan het ook via een netwerkkabel. Hierdoor kun je de foto's die je maakt meteen op een groter scherm bekijken in plaats van alleen op het kleine scherm van de camera. Het wordt vaak gebruikt in studiofotografie en biedt verschillende voordelen.

V: De kleuren van de foto zijn niet juist.

  1. De witbalans van je camera was niet correct. Fotografeer in RAW of gebruik een kleurenkaart/grijskaart als je in JPG formaat fotografeert.

  2. Exporteer je foto’s naar sRGB kleurenruimte. Niet alle programma’s en browsers kunnen de AdobeRGB kleurenruimte weergeven.

  3. Kalibreer je monitor. Enkel dan ben je zeker dat de kleuren die je ziet op je scherm correct zijn.

  4. Koop een goede monitor die minstens 100% van de sRGB kleurenruimte kan weergeven of kies voor een monitor die zelfs 100% van de AdobeRGB kleurenruimte kan weergeven.

V: Mijn foto heeft heel veel ruis.

  1. Je hebt een veel te hoge ISO waarde gebruikt. Kies indien mogelijk een langere sluitersnelheid en fotografeer met een grotere opening. Gebruik extra licht in de vorm van een flash of LED.

V: Ik heb een foto laten afdrukken (printen) en de kleuren zijn niet correct.

Dit kan verschillende oorzaken hebben. De kwaliteit van je print, inclusief de helderheid en het aantal kleuren, is sterk afhankelijk van het medium waarop je print. Krantenpapier absorbeert en verdeelt de inkt anders dan glossy papier, wat resulteert in verschillen in kleurintensiteit en scherpte.

Hier zijn enkele tips om een juiste kleurweergave zeker te stellen

  1. Zorg dat de kleuren van je monitor correct zijn door deze te calibreren met een kleurenkalibratietoestel.

  2. Download en installeer het kleurenprofiel van het medium waarop je gaat afdrukken, zoals bijvoorbeeld bij WhiteWall. Wanneer je dit profiel activeert, kun je zien hoe je print eruit zal zien op dat specifieke medium en nog aanpassingen uitvoeren zoals contrast en kleur. Dit proces wordt soft proofing genoemd.

  3. Converteer naar het juiste afdrukprofiel voordat je afdrukt.

  4. Doe een testafdruk op klein formaat als je een grote print zoekt te bestellen.

  5. Voor prints is het aan te raden om de foto scherper te maken.

    — Kies de Juiste Scherptechniek

    • Unsharp Mask: Dit is een veelgebruikte techniek in software zoals Adobe Photoshop. Het biedt controle over de hoeveelheid scherpte die wordt toegepast en hoe deze wordt verdeeld over de afbeelding.

    • Smart Sharpen: Dit biedt meer controle over het proces, zoals het verminderen van vervorming en het behoud van details.

    • High Pass Filter: Dit kan gebruikt worden om fijne details te accentueren door een laag met een hoge doorlaatfilter toe te voegen en deze op de oorspronkelijke afbeelding te mengen.

    — Pas Scherpte Toe op het Juiste Moment

    • Scherp aan het Eind van je Workflow: Voeg scherpte toe aan je afbeelding nadat je alle andere bewerkingen hebt voltooid, zoals kleurcorrectie en retouchering.

    • Gebruik een Kopie van de Afbeelding: Werk op een kopie van je afbeelding om de originele versie te behouden voor andere doeleinden.

    — Pas Scherpte Aan op Basis van Afdrukgrootte

    • Gebruik de Juiste Resolutie: Vergroot je afbeelding tot de afdrukgrootte voordat je scherpte toepast. Dit helpt om de scherpte specifiek af te stemmen op de uiteindelijke afdrukgrootte.

    • Verander de Scherpte op Basis van Grootte: Voor grotere afdrukken heb je mogelijk minder scherpte nodig dan voor kleinere prints, omdat details over grotere oppervlakken kunnen variëren.

V: Ik ben mijn foto aan het bewerken en zie strepen (banding) in Photoshop.

  1. Zodra je bewerkingen uitvoert met verschillende lagen, kan dit optreden. De oplossing is om je foto’s te bewerken in 16 bit i.p.v. 8 bit. (jpg’s zijn altijd 8 bit). Exporteer je RAW foto naar 16 bit.

V: Het water reflecteert fel. Ik kan de vissen zien maar als ik een foto neem dan zie ik ze bijna niet.

  1. Plaats een polariserende filter op de lens. Draai aan de filter totdat de reflectie weg is.

V: Ik gebruik een variabele ND filter maar als ik de ND filter heel donker zet dan verschijnt er een grote X.

  1. Een variabele ND filter bestaat uit 2 twee roterende polarisatiefilters. Bij groothoeklenzen treedt dit X fenomeen sneller op.

Gebruik een vaste ND filter.

V: Ik zie in mijn beelden lens flare als ik richting de zon fotografeer.

  1. Gebruik alvast je zonnekap zodat direct invallend zonlicht op je lens minder kans krijgt. Sommige lenzen hebben door hun interne lensstructuur meer last van lens flare. Hier bestaat geen oplossing voor. Ook filters helpen niet. Integendeel ze kunnen lens flare en andere lensfouten vergroten.

V: Ik fotografeer een sportwedstrijd in een hal met LED licht en zie strepen op mijn foto.

Dit komt door de frequentie van de LED verlichting. Je beeldsensor wordt niet in 1 keer uitgelezen zodat het “geflikker” door de camera wordt omgezet in donkere in lichte streepjes.

  1. Gebruik steeds de mechanische sluiter

  2. Bij sommige toestellen kan je de sluitersnelheid nauwkeuriger aanpassen. bv 1/128,4

  3. Gebruik indien mogelijk een langere sluitersnelheid.

V: Ik wil mijn witbalans in Lightroom wijzigen maar dat lukt niet. Het resultaat is slecht.

  1. Je bewerkt waarschijnlijk een foto in JPG formaat.

  2. Bewerk de RAW foto.

V: Ik heb gebouwen gefotografeerd in een stad maar ze leunen naar elkaar toe.

Dat is normaal met vooral groothoeklenzen.

  1. Kies in het vervolg voor een tilt-shift lens

  2. Fotografeer het gebouw ver genoeg. In de nabewerking pas je het trapezium aan. Je verliest dan wel een deel van je foto omdat de foto bijgesneden wordt.

V: Ik heb een stadsfoto gemaakt met veel contrast en in het aanpassen van de hooglichten in de nabewerking blijft de lucht wit ondanks dat deze mooi blauw was.

Een beeldsensor van een camera heeft een beperkt dynamisch bereik en kan niet altijd alle zwartwaarden, witwaarden en alles ertussenin in 1 keer vastleggen. Een fel overbelichte foto kan je spijitig genoeg niet redden.

  1. Maak foto’s met verschillende belichtingen (bracket fotograferen). In nabewerking pas je de HDR techniek toe.

  2. Maak gebruik van een lichtmeter waar je een aangemaakt cameraprofiel kan uploaden (enkel gevorderden). Je meet zowel de schaduwen en hooglichten en de lichtmeter toont je of het in het dynamisch bereik van je camera ligt.

  3. Kies voor een blauwe (namaak) lucht in nabewerking.

V: Ik heb een foto gemaakt met een macrolens op f/22 en de foto is onscherp.

  1. Een lens is het scherpste ergens in het midden van het diafragmabereik. f/22 kan dus de scherpte van je lens drastisch verslechteren.

    Kies een lagere diafragmawaarde (b.v. f/13) en maak verschillende foto’s met telkens een andere focusafstand. (focus stacking)

V: Ik heb een foto gemaakt van een sneeuwlandschap en de sneeuw is blauw.

  1. Stel de juiste witbalans in. Heb je in RAW gefotografeerd dan kan je dit in de nabewerking snel en makkelijk aanpassen.

V: Ik heb een foto gemaakt van een model tegen de zon in maar de lucht is veel te wit (ondanks dat deze in werkelijkheid blauw was)

  1. Gebruik een reflectiescherm zodat je het zonlicht kan weerkaatsen. Een betere optie is een flitser gebruiken. De flitskracht die hiervoor vereist is, is afhankelijk van de lichtvormer die je gebruikt.

V: Ik fotografeer met een Sony A7 IV, een full frame systeemcamera en als ik er een Sony E 18-135 mm op bevestig zie ik heel donkere randen.

  1. De lens die je gebruikt is bedoelt voor Sony camera’s met een cropped sensor (Sony E i.p.v. Sony FE). Als je deze op een full frame camera bevestigd dien je ook de cropped sensor mode te activeren maar dan gebruik je maar een deel van de beeldsensor en vermindert de resolutie. 33 Megapixel wordt dan 14,66 Megapixel.

V: Wat is het gouden uur?

  1. De tijd net na zonsopgang en vlak voor zonsondergang, ideaal voor fotografie vanwege het zachte licht.

V: Wat is HDR?

  1. High Dynamic Range; een techniek waarbij meerdere belichtingen worden gecombineerd om meer details in lichte en donkere delen te tonen.

V: Wat is een polaristatiefilter?

  1. Een filter dat reflecties vermindert en de kleuren en contrasten in de lucht of water verbetert.

V: Wat is chromatische aberratie?

  1. Kleurfouten die optreden aan de randen van objecten in een foto, vaak veroorzaakt door de lens. Kan tijdens de nabewerking worden gecorrigeerd.

V: Wat wordt bedoel met het dynamische bereik (van een beeldsensor)?

  1. Het verschil tussen de donkerste en lichtste delen in een afbeelding die de camera kan vastleggen zonder detailverlies.

V: Wat is een ND filter?

  1. Een Neutral Density-filter vermindert de hoeveelheid licht die de lens bereikt, waardoor je langere sluitertijden kunt gebruiken bij fel licht. Je kan het vergelijken met een zonnebril. Een ND2 filter halveert het binnenkomende licht terwijl een ND4 filter het licht noch eens halveert. Om bijvoorbeeld een waterval een melkachtig effect te geven worden ND filters gebruikt omdat ze lange sluitersnelheden gehanteerd worden om dit effect te kunen bekomen.

V: Wat is back-button focus?

  1. Een techniek waarbij je de scherpstelling loskoppelt van de ontspanknop, zodat je met een aparte knop focust.

V: Wat wordt bedoeld met omni-directioneel licht?

  1. Dat is licht dat zich in alle richtingen verspreidt zoals een gloeilamp neemt zonder een lampenkap.

V: Wat wordt bedoeld met de omgekeerde kwadratenregel (inverse square law)?

  1. De omgekeerde kwadratenregel (inverse square law) is een natuurkundige wet die beschrijft hoe de intensiteit van licht afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de fotografie betekent dit dat wanneer je de afstand tussen de lichtbron en je onderwerp verdubbelt, de lichtintensiteit vier keer zo zwak wordt (omgekeerd evenredig met het kwadraat van de afstand).

V: Wat is een NAS?

  1. Een NAS (Network Attached Storage) is een apparaat dat is aangesloten op een netwerk en fungeert als een gedeelde opslagruimte. Het biedt toegang tot data voor meerdere gebruikers en apparaten, meestal binnen een lokaal netwerk (LAN) of zelfs via het internet. Een NAS wordt vaak gebruikt voor opslag van foto's, video's, documenten en andere gegevens en als backup systeem.